Over de domheid van Robert Musil (2.10.2026)

Een klein misbruik van dit format. Mijn artistieke vrijheid.
Een piepklein fragment uit deze voordracht dook ergens op Facebook of Instagram op. Ik zocht en vond de tekst als vrij toegankelijk pdf-bestand. Zoals waarschijnlijk de meeste mensen lees ik inmiddels de meeste dingen op mijn telefoon. Daarvoor is het pdf-formaat al een behoorlijke beproeving. De tekst zelf is dat natuurlijk ook. Vanwege zijn lengte. Zijn taal. De woorden die tegenwoordig deels niet meer worden gebruikt. Maar ook vanwege de eisen die besloten liggen in de formuleringen en de soms sterk ineengeschoven zinnen. Zo schrijft of spreekt men tegenwoordig niet meer. Misschien komt dat ook doordat we allemaal dommer zijn geworden.
Waarom deze tekst? Hij sprak mij op vele manieren aan. De schoonheid van de taal en de esthetiek van het betoog. De verscheidenheid aan aspecten van dit onderwerp. Veel dingen die men tegenwoordig zo niet meer zou mogen of kunnen schrijven. Die juist daardoor ook geschiedenis overbrengen. En ten slotte zijn slotbeschouwingen over betekenissen. Want dat is ook mijn onderwerp.
Ik heb geen idee hoe de tekst in andere talen leest... ook dat is een experiment.

Musil:

Dames en heren!
Wie het waagt over de domheid te spreken, loopt tegenwoordig gevaar op allerlei manieren schade op te lopen; het kan hem als aanmatiging worden uitgelegd, zelfs als verstoring van de hedendaagse ontwikkeling. Ik heb zelf al verscheidene jaren geleden geschreven: ‘Als de domheid niet als twee druppels water leek op de vooruitgang, het talent, de hoop of de verbetering, zou niemand dom willen zijn.’

Dat was in 1931; en niemand zal durven betwijfelen dat de wereld ook sindsdien nog vooruitgang en verbeteringen heeft gezien! Zo krijgt de vraag langzamerhand een zekere onontkoombare urgentie: wat is domheid eigenlijk?

Ik wil ook niet buiten beschouwing laten dat ik als dichter de domheid al veel langer ken; ik zou zelfs kunnen zeggen dat ik meermaals op collegiale voet met haar heb gestaan! En zodra een man in de literatuur zijn ogen opslaat, ziet hij zich bovendien tegenover een nauwelijks te beschrijven weerstand geplaatst, die alle vormen lijkt te kunnen aannemen:

hetzij een persoonlijke, bijvoorbeeld de waardige gestalte van een hoogleraar literatuurgeschiedenis die, gewend op oncontroleerbare afstanden te mikken, in het heden onheil stichtend misschiet;

hetzij een algemeen-luchtige, zoals de vervanging van het kritische oordeel door het commerciële, sinds God in zijn voor ons moeilijk te begrijpen goedheid de menselijke taal ook aan de producenten van geluidsfilms heeft geschonken.

Ik heb vroeger al een of meer keren nog meer van zulke verschijnselen beschreven; maar het is niet nodig dat te herhalen of aan te vullen (en blijkbaar zou dat zelfs onmogelijk zijn gezien de hang naar grootheid die alles tegenwoordig bezit): het volstaat als vaststaand resultaat te benadrukken dat de onartistieke gesteldheid van een volk zich niet pas in slechte tijden en op grove wijze uit, maar ook al in goede tijden en op elke mogelijke wijze, zodat onderdrukking en verbod slechts in graad verschillen van eredoctoraten, academische benoemingen en prijsuitreikingen.

Ik heb altijd vermoed dat deze veelvormige weerstand van een volk dat zich op zijn kunstliefde beroemt tegen de kunst en de fijnere geest niets dan domheid is, misschien een bijzondere soort daarvan, een bijzondere kunstdomheid en wellicht ook gevoelsdomheid; in elk geval uit zij zich zo dat wat wij schoongeesterij noemen tegelijk ook een schoondomheid zou zijn. En ook nu zie ik niet bepaald veel redenen om van die opvatting af te stappen.

Natuurlijk kan niet alles waardoor een zo volledig menselijke aangelegenheid als de kunst wordt misvormd op domheid worden afgeschoven; zoals vooral de ervaringen van de laatste jaren hebben geleerd, moet er ook ruimte blijven voor de verschillende vormen van karakterloosheid.
Maar men mag niet tegenwerpen dat het begrip domheid hier niets te zoeken heeft omdat het betrekking heeft op het verstand en niet op gevoelens, terwijl de kunst juist daarvan afhankelijk is.
Dat zou een vergissing zijn.
Zelfs esthetisch genot is oordeel en gevoel. En ik verzoek u mij toe te staan aan deze grote formule, die ik aan Kant heb ontleend, niet alleen de herinnering toe te voegen dat Kant spreekt van een esthetisch oordeelsvermogen en een smaakoordeel, maar ook meteen de antinomieën te herhalen waartoe dit leidt:

These: Het smaakoordeel berust niet op begrippen, want anders zou erover te disputeren zijn (door bewijs te beslissen).

Antithese: Het berust op begrippen, want anders zou er niet eens over te twisten zijn (naar overeenstemming te streven).

En nu zou ik willen vragen of niet een soortgelijk oordeel met een soortgelijke antinomie ook ten grondslag ligt aan de politiek en aan de warboel van het leven zonder meer. En mag men niet, waar oordeel en rede thuis zijn, ook hun zusters en zusjes verwachten, de verschillende vormen van domheid?
Tot zover over haar belang. Erasmus van Rotterdam schreef in zijn verrukkelijke en nog altijd onversleten ‘Lof der Zotheid’ dat de mens zonder bepaalde domheden niet eens ter wereld zou komen!

*

Veel mensen leggen dan ook een besef aan de dag van de even beschamende als geweldige heerschappij van de domheid over ons, doordat zij vriendelijk en samenzweerderig verrast reageren zodra zij vernemen dat iemand die zij vertrouwen van plan is dit monster bij zijn naam te bezweren.
Deze ervaring heb ik niet alleen aanvankelijk aan mijzelf kunnen opdoen, maar ik leerde ook al snel haar historische geldigheid kennen toen mij, bij mijn zoektocht naar voorgangers in de behandeling van de domheid – van wie er mij opvallend weinig bekend zijn geworden; maar de wijzen schrijven blijkbaar liever over de wijsheid! –, door een geleerde vriend de gedrukte tekst werd toegestuurd van een voordracht uit 1866 van Joh. Ed. Erdmann, de leerling van Hegel en hoogleraar te Halle.
Deze voordracht, die ‘Over domheid’ heet, begint er meteen mee dat reeds haar aankondiging met gelach was begroet; en sinds ik weet dat zelfs een hegeliaan zoiets kan overkomen, ben ik ervan overtuigd dat er iets bijzonders schuilt in zulk gedrag van mensen tegenover degenen die over domheid willen spreken, en voel ik mij zeer onzeker in de overtuiging dat ik een geweldige en diep tweeslachtige psychologische macht heb uitgedaagd.

Daarom beken ik liever meteen de zwakheid waarin ik mij tegenover haar bevind: ik weet niet wat zij is. Ik heb geen theorie van de domheid ontdekt met behulp waarvan ik het zou kunnen wagen de wereld te verlossen; ja, zelfs binnen de grenzen van wetenschappelijke terughoudendheid heb ik geen onderzoek gevonden dat haar tot onderwerp had gemaakt, noch zelfs een overeenstemming die bij de behandeling van verwante zaken, goedschiks of kwaadschiks, over haar begrip tot stand was gekomen. Dat kan aan mijn onwetendheid liggen, maar waarschijnlijker is dat de vraag ‘Wat is domheid?’ even weinig beantwoordt aan de huidige denkgewoonten als de vragen wat goedheid, schoonheid of elektriciteit zijn.

Toch heeft de wens dit begrip te vormen en zo’n voorafgaande levensvraag zo nuchter mogelijk te beantwoorden een niet geringe aantrekkingskracht; daarom ben ook ik op een dag ten prooi gevallen aan de vraag wat domheid ‘werkelijk’ is, en niet hoe zij paradeert, wat te beschrijven veel eerder mijn beroepsplicht en -bekwaamheid zou zijn geweest. En omdat ik mij noch op dichterlijke wijze wilde behelpen, noch het op wetenschappelijke wijze kon, heb ik het op de naïefste manier geprobeerd, zoals in zulke gevallen altijd voor de hand ligt: ik volgde eenvoudig het gebruik van het woord dom en zijn familie, zocht de meest gangbare voorbeelden op en probeerde wat ik gaandeweg opschreef met elkaar te verbinden.

Zo’n werkwijze heeft helaas altijd iets van een jacht op koolwitjes: wat men meent waar te nemen volgt men weliswaar een tijdje zonder het te verliezen, maar omdat uit andere richtingen langs precies dezelfde zigzagpaden ook andere, heel soortgelijke vlinders komen aanvliegen, weet men spoedig niet meer of men nog wel achter dezelfde aan zit. Zo zal men ook bij de voorbeelden uit de familie van de domheid niet altijd kunnen onderscheiden of zij werkelijk nog oorspronkelijk samenhangen of slechts uiterlijk en onvoorzien de beschouwing van het ene naar het andere leiden; en het zal niet eenvoudig zijn ze onder één hoed te brengen waarvan men kan zeggen dat hij werkelijk een domkop toebehoort.

*

Hoe men begint, is onder zulke omstandigheden vrijwel om het even; laten we dus zomaar ergens beginnen: wellicht het beste meteen bij de aanvankelijke moeilijkheid dat iedereen die over domheid wil spreken of met nut aan zo’n gesprek wil deelnemen, van zichzelf moet aannemen dat hij niet dom is; en daarmee tentoonspreidt dat hij zichzelf voor slim houdt, hoewel het algemeen als een teken van domheid geldt dat te doen!

Gaat men nu in op de vraag waarom het dom heet te laten zien dat men slim is, dan dringt zich eerst een antwoord op dat het stof van voorvaderlijk huisraad lijkt te dragen: het zou voorzichtiger zijn zich niet slim te tonen. Waarschijnlijk stamt deze diep wantrouwige, op het eerste gezicht tegenwoordig volkomen onbegrijpelijke voorzichtigheid nog uit omstandigheden waarin het voor de zwakkere werkelijk slimmer was niet voor slim door te gaan: zijn slimheid kon de sterke naar het leven staan! Domheid daarentegen sust het wantrouwen in slaap; zij ‘ontwapent’, zoals men ook nu nog zegt.

Sporen van zulke oude schranderheid en domsluwheid zijn inderdaad nog te vinden in afhankelijkheidsverhoudingen waarin de krachten zo ongelijk verdeeld zijn dat de zwakkere zijn heil zoekt door zich dommer voor te doen dan hij is; zij vertonen zich bijvoorbeeld als de zogeheten boerenslimheid, vervolgens in de omgang van dienstboden met de heren die de beschaving op de tong dragen, in de verhouding van soldaat tot meerdere, van leerling tot leraar en van kind tot ouders. Wie de macht bezit wordt minder geprikkeld wanneer de zwakke niet kan dan wanneer hij niet wil. Domheid brengt hem zelfs ‘tot wanhoop’, dus onmiskenbaar in een toestand van zwakte!
Daarmee stemt voortreffelijk overeen dat slimheid hem gemakkelijk ‘in het harnas jaagt’! Zij wordt bij de onderdanige wel gewaardeerd, maar alleen zolang zij verbonden is met onvoorwaardelijke overgave. Op het ogenblik dat haar dit bewijs van goed gedrag ontbreekt en onzeker wordt of zij het voordeel van de heersende dient, wordt zij minder vaak slim genoemd dan onbescheiden, brutaal of arglistig; en vaak ontstaat een verhouding alsof zij op zijn minst tegen de eer en het gezag van de heersende ingaat, zelfs wanneer zij zijn veiligheid niet werkelijk bedreigt.

In de opvoeding komt dit tot uiting doordat een opstandige begaafde leerling heftiger wordt aangepakt dan een die uit stompzinnigheid weerstand biedt. In de moraal heeft het geleid tot de opvatting dat een wil des te slechter moet zijn naarmate de kennis beter is waartegen hij handelt.

Zelfs de rechtspraak is door dit persoonlijke vooroordeel niet geheel onaangeroerd gebleven en beoordeelt de slimme uitvoering van een misdaad doorgaans met bijzondere ongunst als ‘geraffineerd’ en ‘gevoelloos’.

En uit de politiek moge ieder de voorbeelden halen waar hij ze vindt.

Maar ook de domheid – zo zal men hier wel moeten tegenwerpen – kan irriteren en kalmeert geenszins onder alle omstandigheden.

Kort gezegd: gewoonlijk wekt zij ongeduld, maar in ongewone gevallen ook wreedheid; en de afschuwelijke uitspattingen van deze ziekelijke wreedheid, die doorgaans sadisme wordt genoemd, tonen vaak genoeg domme mensen in de rol van slachtoffer.
Dat komt klaarblijkelijk doordat zij gemakkelijker dan anderen aan de wreedaardige ten prooi vallen; maar het lijkt er ook mee samen te hangen dat hun in alle richtingen voelbare weerloosheid de verbeelding verwildert zoals de geur van bloed de jachtlust, en haar een woestenij in lokt waar de wreedheid bijna alleen daarom ‘te ver’ gaat omdat zij nergens meer een grens vindt.

Dat is een trek van lijden in de veroorzaker van het lijden zelf, een zwakheid die in zijn ruwheid is ingebed; en hoewel de bevoorrechte verontwaardiging van het gekwetste medeleven dit zelden laat opmerken, zijn er voor wreedheid net als voor liefde toch twee nodig die bij elkaar passen! Dit te bespreken zou zeker belangrijk genoeg zijn in een mensheid die door haar ‘laffe wreedheid jegens zwakkeren’ (en zo luidt waarschijnlijk ook de meest gangbare omschrijving van het sadisme) zo wordt geplaagd als de huidige; maar met het oog op de gevolgde hoofdlijn van het verband en bij het vluchtig verzamelen van de eerste voorbeelden moet ook wat daarover gezegd is wel reeds als uitweiding gelden, en in het geheel valt er niet meer uit te halen dan dat het dom kan zijn zichzelf als slim te prijzen, maar ook niet altijd slim is de naam van domheid op te roepen.

Daaruit valt niets te veralgemenen; of de enige veralgemening die hier al toelaatbaar zou zijn, zou moeten luiden dat het het slimst is zich in deze wereld zo weinig mogelijk opvallend te gedragen! En inderdaad is deze afsluitende streep onder alle wijsheid niet zelden getrokken.

Nog vaker wordt van dit mensenschuwe resultaat slechts half of alleen zinnebeeldig en plaatsvervangend gebruikgemaakt; dan voert het de beschouwing binnen de kring van de geboden van bescheidenheid en nog ruimere voorschriften, zonder het terrein van domheid en slimheid geheel te hoeven verlaten.
Zowel uit angst dom te lijken als uit angst het fatsoen te schenden, houden veel mensen zichzelf wel voor slim, maar zeggen het niet. En wanneer zij zich toch gedwongen voelen erover te spreken, omschrijven zij het door bijvoorbeeld over zichzelf te zeggen: ‘Ik ben niet dommer dan anderen.’
Nog geliefder is het zo onbetrokken en zakelijk mogelijk op te merken: ‘Ik mag van mijzelf wel zeggen dat ik over een normale intelligentie beschik.’ En soms komt de overtuiging van de eigen slimheid ook langs de achterdeur tevoorschijn, bijvoorbeeld in de uitdrukking: ‘Ik laat mij niet voor de gek houden!’

Des te opmerkelijker is het dat niet alleen de verborgen afzonderlijke mens zich in zijn gedachten als buitengewoon slim en goed toegerust beschouwt, maar ook de historisch handelende mens, zodra hij er de macht toe heeft, van zichzelf zegt of laat zeggen dat hij boven alle maat wijs, verlicht, waardig, verheven, genadig, door God uitverkoren en tot de geschiedenis geroepen is.
Ja, hij zegt het ook graag van een ander door wiens weerspiegeling hij zich bestraald voelt. In titels en aanspreekvormen als Majesteit, Eminentie, Excellentie, Magnificentie, Genade en dergelijke is dat versteend bewaard gebleven en nauwelijks nog door bewustzijn bezield; maar in volle levendigheid treedt het onmiddellijk weer naar voren wanneer de mens tegenwoordig als massa spreekt.

Met name een zekere lagere middenstand van geest en ziel kent tegenover de behoefte aan hoogmoed geen enkele schaamte zodra hij optreedt onder de bescherming van partij, natie, sekte of kunstrichting en Wij in plaats van Ik mag zeggen.
Met een voorbehoud dat vanzelf spreekt en terzijde kan blijven, kan deze hoogmoed ook ijdelheid worden genoemd; en werkelijk wordt de ziel van veel volkeren en staten tegenwoordig beheerst door gevoelens waaronder de ijdelheid onmiskenbaar een vooraanstaande plaats inneemt. Tussen domheid en ijdelheid bestaat echter van oudsher een innige verhouding, en misschien geeft zij een aanwijzing. Een dom mens maakt gewoonlijk al een ijdele indruk omdat hem de slimheid ontbreekt dit te verbergen; maar eigenlijk is zelfs dat niet nodig, want de verwantschap tussen domheid en ijdelheid is rechtstreeks: een ijdel mens wekt de indruk dat hij minder presteert dan hij zou kunnen; hij lijkt op een machine die haar stoom door een lek laat ontsnappen. Het oude gezegde ‘Domheid en trots groeien aan hetzelfde hout’ bedoelt niets anders, evenals de uitdrukking dat ijdelheid ‘verblindt’.

Het is werkelijk de verwachting van een mindere prestatie die wij met het begrip ijdelheid verbinden, want het woord ‘ijdel’ betekent in zijn hoofdbetekenis vrijwel hetzelfde als ‘vergeefs’. En deze vermindering van de prestatie wordt ook verwacht waar in werkelijkheid wel degelijk een prestatie is: ijdelheid en talent zijn immers niet zelden met elkaar verbonden; maar dan krijgen wij de indruk dat er nog meer gepresteerd zou kunnen worden als de ijdele zichzelf niet hinderde. Deze hardnekkig aanklevende voorstelling van prestatievermindering zal later ook de algemeenste voorstelling blijken die wij van domheid hebben.

IJdel gedrag wordt, zoals bekend, echter niet alleen vermeden omdat het dom kan zijn, maar vooral ook als verstoring van het fatsoen. ‘Eigen roem stinkt’, zegt een kernachtige spreuk, en dat betekent dat grootspraak, veel over zichzelf spreken en zichzelf prijzen niet alleen als onverstandig, maar ook als onfatsoenlijk gelden.

Als ik mij niet vergis, behoren de daardoor geschonden eisen van het fatsoen tot de veelvormige geboden van terughoudendheid en afstand houden die bestemd zijn om de eigendunk te ontzien, waarbij wordt verondersteld dat deze bij een ander niet geringer is dan bij onszelf. Zulke afstandsgeboden richten zich ook tegen het gebruik van al te openhartige woorden, regelen begroeting en aanspreekvorm, staan niet toe dat men elkaar zonder verontschuldiging tegenspreekt of dat een brief met het woord Ik begint; kortom, zij eisen dat bepaalde regels in acht worden genomen opdat men elkaar vooral niet ‘te na komt’. Hun taak is de omgang te vereffenen en glad te strijken, de naasten- en eigenliefde te vergemakkelijken en als het ware ook een gemiddelde temperatuur van het menselijke verkeer te bewaren; en zulke voorschriften vindt men in elke samenleving, in de primitieve zelfs nog meer dan in de hoogbeschaafde, ja, ook de woordeloze dierlijke samenleving kent ze, zoals uit veel van haar ceremoniën gemakkelijk valt af te lezen.

In de zin van deze afstandsgeboden is het echter niet alleen verboden zichzelf, maar ook anderen opdringerig te prijzen.
Iemand in zijn gezicht zeggen dat hij een genie of een heilige is, zou bijna even monsterlijk zijn als het van zichzelf te beweren; en zichzelf het gezicht besmeuren en de haren uitrukken zou naar hedendaags gevoel niet beter zijn dan een ander uitschelden. Men stelt zich tevreden met de opmerkingen dat men niet bepaald dommer of slechter is dan anderen, zoals eerder ook al is vermeld!
Het zijn klaarblijkelijk de mateloze en tuchteloze uitingen waarop in geordende toestanden een verbod rust.

En nu zojuist sprake was van de ijdelheid waarmee volkeren en partijen zich tegenwoordig met betrekking tot hun verlichting verheffen, moet worden aangevuld dat de zich uitlevende meerderheid – precies als de afzonderlijke grootheidswaanzinnige in zijn dagdromen – niet alleen de wijsheid, maar ook de deugd heeft gepacht en zichzelf moedig, edel, onoverwinnelijk, vroom en mooi vindt; en dat er in de wereld een bijzondere neiging bestaat dat mensen, wanneer zij in grote aantallen optreden, zich alles veroorloven wat hun afzonderlijk verboden is.
Deze voorrechten van het groot geworden Wij wekken tegenwoordig ronduit de indruk dat de toenemende beschaving en temming van de afzonderlijke persoon moet worden gecompenseerd door een in de juiste verhouding groeiende ont-beschaving van naties, staten en gezindheidsverbanden; en klaarblijkelijk treedt daarin een affectstoornis, een verstoring van het gevoelsevenwicht aan de dag, die in wezen voorafgaat aan de tegenstelling tussen Ik en Wij en ook aan elke morele beoordeling. Maar is dat – zal men wel moeten vragen – nog domheid, ja, houdt het zelfs nog op enigerlei wijze met domheid verband?

Geachte toehoorders! Niemand twijfelt eraan!

Maar laten we vóór het antwoord liever nog even op adem komen bij een voorbeeld dat niet onaardig is! Wij allen, hoewel voornamelijk wij mannen en in het bijzonder alle bekende schrijvers, kennen de dame die ons beslist de roman van haar leven wil toevertrouwen en wier ziel zich blijkbaar altijd in interessante omstandigheden heeft bevonden zonder dat het tot enig resultaat kwam, dat zij veeleer eerst van ons verwacht.
Is deze dame dom? Iets wat uit de overvloed aan indrukken opkomt, pleegt ons in te fluisteren: zij is het! Maar zowel de beleefdheid als de rechtvaardigheid eisen de toegeving dat zij het niet door en door en niet altijd is.
Zij spreekt veel over zichzelf, en zij spreekt überhaupt veel.
Zij oordeelt heel stellig en over alles.
Zij is ijdel en onbescheiden.
Zij onderricht ons vaak.
Gewoonlijk is haar liefdesleven niet in orde, en over het geheel genomen lukt haar leven niet zo goed.
Maar bestaan er dan geen andere soorten mensen op wie dit alles, of het meeste ervan, eveneens van toepassing is?
Veel over zichzelf spreken is bijvoorbeeld ook een slechte gewoonte van egoïsten, rustelozen en zelfs van een bepaald soort zwaarmoedigen.

En alles tezamen geldt voornamelijk voor de jeugd; bij haar behoort het ronduit tot de groeiverschijnselen veel over zichzelf te spreken, ijdel en belerend te zijn en niet goed met het leven overweg te kunnen, kortom precies dezelfde afwijkingen van slimheid en fatsoen te vertonen zonder daarom dom te zijn of dommer dan op natuurlijke wijze wordt veroorzaakt doordat zij eenvoudig nog niet slim is geworden!

Dames en heren! De oordelen van het dagelijks leven en zijn mensenkennis zijn meestal wel raak, maar gewoonlijk ook mis. Zij zijn niet ontstaan ter wille van een juiste leer, maar stellen eigenlijk slechts geestelijke bewegingen van instemming en afweer voor. Ook dit voorbeeld leert dus alleen dat iets dom kan zijn maar het niet hoeft te zijn, dat de betekenis verandert met het verband waarin iets optreedt en dat de domheid dicht met andere dingen is verweven zonder dat ergens de draad uitsteekt waarmee het weefsel in één ruk kan worden ontrafeld.
Zelfs genialiteit en domheid hangen onlosmakelijk samen, en het verbod om veel en veel over zichzelf te spreken, op straffe voor dom te worden gehouden, wordt door de mensheid op eigenaardige wijze omzeild: door de dichter.
Hij mag in naam van de menselijkheid vertellen dat iets hem heeft gesmaakt of dat de zon aan de hemel staat, mag zichzelf openbaren, geheimen verklappen, bekentenissen afleggen, zonder terughoudendheid persoonlijk rekenschap geven (veel dichters staan daar althans op!); en dat alles ziet er precies zo uit alsof de mensheid zich bij wijze van uitzondering iets toestaat wat zij zich anders zou verbieden. Zo spreekt zij onophoudelijk over zichzelf en heeft zij met behulp van de dichter dezelfde verhalen en belevenissen al miljoenen keren verteld, slechts met veranderde omstandigheden, zonder dat daar voor haar enige vooruitgang of winst aan inzicht uit is voortgekomen: zou zij dan, in het gebruik dat zij van haar dichtkunst maakt en in de aanpassing daarvan aan dit gebruik, uiteindelijk niet ook van domheid verdacht moeten worden? Ik voor mij acht dat geenszins onmogelijk!

Tussen de toepassingsgebieden van domheid en immoraliteit – dit laatste woord opgevat in de tegenwoordig ongebruikelijke ruimere zin, die bijna hetzelfde is als geestloosheid, maar niet als onverstand – bestaat in elk geval een ingewikkelde identiteit en verscheidenheid. En dit samengaan is ongetwijfeld zoals Joh. Ed. Erdmann het op een belangrijke plaats in zijn eerder genoemde voordracht uitdrukte met de woorden dat ruwheid ‘de praktijk van de domheid’ is. Hij zei: ‘Woorden zijn... niet de enige verschijningsvorm van een geestestoestand. Diezelfde toestand openbaart zich ook in handelingen. Zo ook de domheid. Niet alleen dom zijn, maar dom handelen, domheden begaan’ – dus de praktijk van de domheid – ‘of de domheid in Action noemen wij ruwheid.’ Deze innemende bewering leert nu niets minder dan dat domheid een gevoelsfout is – want ruwheid is er toch één! En dat voert rechtstreeks terug in de richting van die ‘affectstoornis’ en ‘verstoring van het gevoelsevenwicht’ die al bij wijze van aanduiding konden worden genoemd zonder een verklaring te hebben gevonden.

Ook de verklaring die in Erdmanns woorden besloten ligt, kan niet geheel met de waarheid overeenstemmen; want afgezien daarvan dat zij slechts op de ruwe, onbeschaafde individuele mens in tegenstelling tot de ‘vorming’ gericht was en geenszins alle toepassingsvormen van de domheid omvat, is ook ruwheid niet alleen domheid en domheid niet alleen ruwheid. Daarom blijft er in de verhouding tussen affect en intelligentie, wanneer zij zich tot ‘toegepaste domheid’ verenigen, nog het een en ander te verklaren, dat eerst en waarschijnlijk het beste opnieuw aan de hand van voorbeelden naar voren moet worden gebracht.

*

Wil daarbij de omtrek van het begrip domheid juist tevoorschijn komen, dan is het bovenal nodig het oordeel losser te maken dat domheid uitsluitend of voornamelijk een gebrek aan verstand is; er is immers al vermeld dat de algemeenste voorstelling die wij ervan hebben die van falen bij de meest uiteenlopende bezigheden lijkt te zijn, van lichamelijk en geestelijk tekort zonder meer.
Daarvoor bestaat in onze plaatselijke dialecten een treffend voorbeeld: de aanduiding van hardhorendheid, dus van een lichamelijk gebrek, met het woord ‘derisch’ of ‘terisch’, dat waarschijnlijk ‘dwaas’ betekent en daarmee dicht bij domheid staat. Want precies zoals daar wordt het verwijt van domheid in de volksmond ook elders gebruikt.

Wanneer een deelnemer aan een wedstrijd op het beslissende ogenblik verslapt of een fout maakt, zegt hij achteraf: ‘Ik zat helemaal op slot!’ of: ‘Ik weet niet waar ik met mijn hoofd was!’, hoewel het aandeel van het hoofd in zwemmen of boksen toch als tamelijk vaag begrensd mag gelden. Evenzo zal onder jongens en sportkameraden iemand die zich onhandig gedraagt dom worden genoemd, ook al is hij een Hölderlin. Er bestaan ook zakelijke verhoudingen waarin iemand die niet sluw en gewetenloos is als dom geldt. Al met al zijn dit de domheden die horen bij oudere vormen van slimheid dan die welke tegenwoordig publiekelijk in ere wordt gehouden; en als ik goed ben ingelicht, stonden in de oud-Germaanse tijd niet alleen de morele voorstellingen, maar ook de begrippen van wat kundig, ervaren en wijs is, dus de intellectuele begrippen, in verband met oorlog en strijd.

Zo heeft elke slimheid haar domheid, en zelfs de dierpsychologie heeft bij haar intelligentietests ontdekt dat aan elk ‘prestatietype’ een ‘type domheid’ kan worden gekoppeld.
Als men daarom naar een zo algemeen mogelijk begrip van slimheid zocht, zou uit deze vergelijkingen ongeveer het begrip bekwaamheid voortkomen, en alles wat onbekwaam is zou dan bij gelegenheid ook dom kunnen heten; in werkelijkheid gebeurt dat ook wanneer de bekwaamheid die bij een bepaalde domheid hoort niet letterlijk slimheid wordt genoemd. Welke bekwaamheid daarbij op de voorgrond staat en in een bepaalde tijd de begrippen slimheid en domheid met haar inhoud vult, hangt af van de levensvorm.

In tijden van persoonlijke onzekerheid zullen list, geweld, scherpte van zinnen en lichamelijke behendigheid het begrip slimheid bepalen; in tijden van een vergeestelijkte – met de helaas noodzakelijke beperkingen kan men ook zeggen: burgerlijke – levenshouding neemt hoofdarbeid hun plaats in. Juister gezegd zou de hogere geestelijke arbeid dat moeten doen, maar in de loop der dingen is daaruit het overwicht van de verstandsprestatie ontstaan, dat de bedrijvige mensheid onder het harde voorhoofd in het lege gezicht geschreven staat; en zo is het gekomen dat slimheid en domheid tegenwoordig, alsof het helemaal niet anders kan, alleen op het verstand en de graden van zijn bekwaamheid worden betrokken, hoewel dat min of meer eenzijdig is.

De algemene voorstelling van onbekwaamheid die van oorsprong met het woord dom verbonden is – zowel in de betekenis van onbekwaamheid tot alles als in de betekenis van elke willekeurige onbekwaamheid – heeft ook een zeer indrukwekkend gevolg, namelijk dat ‘dom’ en ‘domheid’, omdat zij algemene onbekwaamheid betekenen, af en toe kunnen invallen voor elk woord dat een bijzondere onbekwaamheid zou moeten aanduiden. Dat is een van de redenen waarom het wederzijdse verwijt van domheid tegenwoordig zo ontzaglijk verbreid is. (In een ander verband is het ook de reden waarom het begrip zo moeilijk af te bakenen is, zoals onze voorbeelden hebben laten zien.) Men bekijke de opmerkingen die in de marges staan van veeleisender romans die lange tijd in het vrijwel anonieme uitleenbibliotheekverkeer hebben gecirculeerd; hier, waar de lezer alleen is met de dichter, drukt zijn oordeel zich bij voorkeur uit in het woord ‘dom!’ of in equivalenten daarvan, zoals ‘stom!’, ‘onzin!’, ‘onuitsprekelijke domheid!’ en dergelijke.
En evenzo zijn dat de eerste woorden van verontwaardiging wanneer de mens bij toneelvoorstellingen of schilderijententoonstellingen massaal tegen de kunstenaar optreedt en aanstoot neemt.

Ook het woord ‘kitsch’ moet hier worden genoemd, dat als eerste oordeel onder kunstenaars zelf geliefder is dan enig ander; zonder dat echter, althans voor zover mij bekend, het begrip ervan kan worden bepaald en de toepasbaarheid ervan kan worden verklaard, behalve door het werkwoord ‘verkitschen’, dat in dialectaal gebruik zoveel betekent als ‘onder de prijs wegdoen’ of ‘verkwanselen’. ‘Kitsch’ heeft dus de betekenis van al te goedkope waar of uitverkoopwaar, en ik geloof dat deze zin, uiteraard overgedragen op het geestelijke, telkens als grondslag kan dienen wanneer het woord onbewust juist wordt gebruikt.
Omdat uitverkoopwaar en prullaria vooral door de daarmee verbonden betekenis van onbekwame, ondeugdelijke waar in het woord opgaan, en onbekwaamheid en ondeugdelijkheid ook de grondslag vormen voor het gebruik van het woord dom, is het nauwelijks overdreven te beweren dat wij geneigd zijn alles wat ons niet bevalt – vooral als wij bovendien voorwenden het als verheven of fijngeestig te eerbiedigen! – ‘op de een of andere manier dom’ te noemen.

En voor de bepaling van dit ‘op de een of andere manier’ is het van betekenis dat het gebruik van domheidsuitdrukkingen innig doordrongen is van een tweede gebruik, dat de al even onvolmaakte uitdrukkingen voor het gemene en moreel weerzinwekkende omvat. Dat voert de blik terug naar iets wat hem al eerder was opgevallen: de lotsverbondenheid van de begrippen ‘dom’ en ‘onfatsoenlijk’. Want niet alleen ‘kitsch’, de esthetische uitdrukking van intellectuele herkomst, maar ook de morele woorden ‘troep!’, ‘walgelijk!’, ‘afschuwelijk!’, ‘ziekelijk!’, ‘brutaal!’ zijn kernachtige, onontwikkelde kunstkritieken en oordelen over het leven.
Misschien bevatten deze uitdrukkingen echter nog een geestelijke inspanning, een verschil in betekenis, zelfs wanneer zij zonder onderscheid worden gebruikt; dan valt als laatste de werkelijk al half sprakeloze uitroep ‘Wat een gemeenheid!’ voor hen in, die al het andere vervangt en met de uitroep ‘Wat een domheid!’ de heerschappij over de wereld kan delen. Kennelijk kunnen deze twee woorden soms voor alle andere invallen omdat ‘dom’ de betekenis van algemene onbekwaamheid en ‘gemeen’ die van algemene zedenschending heeft aangenomen; en als men afluistert wat mensen tegenwoordig over elkaar zeggen, lijkt het zelfportret van de mensheid, zoals dat zonder toezicht uit wederzijdse groepsopnamen ontstaat, uitsluitend gemengd te zijn uit de varianten van deze twee vale woorden!

Misschien loont het daarover na te denken. Zonder twijfel vertegenwoordigen beide de onderste trede van een oordeel dat niet tot ontwikkeling komt, een nog volkomen ongeordende kritiek die wel voelt dat iets verkeerd is, maar niet kan aangeven wat. Het gebruik van deze woorden is de eenvoudigste en slechtste afwerende uitdrukking die te vinden is; het is het begin van een antwoord en meteen ook het einde ervan. Er zit iets van ‘kortsluiting’ in, en dat wordt begrijpelijker wanneer men bedenkt dat Dom en Gemeen, wat zij ook mogen betekenen, eveneens als scheldwoorden worden gebruikt.

Want de betekenis van scheldwoorden ligt zoals bekend niet zozeer in hun inhoud als in hun gebruik; velen onder ons mogen van ezels houden, maar zullen beledigd zijn wanneer men hen er een noemt. Het scheldwoord vertegenwoordigt niet wat het voorstelt, maar een mengsel van voorstellingen, gevoelens en bedoelingen dat het geenszins kan uitdrukken, maar alleen kan signaleren. Terloops zij opgemerkt dat het dit gemeen heeft met mode- en vreemde woorden, waardoor zulke woorden onmisbaar lijken, zelfs als zij volledig vervangen zouden kunnen worden. Om deze reden hebben scheldwoorden ook iets onvoorstelbaar opwindends, dat wel overeenkomt met hun bedoeling maar niet met hun inhoud; en misschien blijkt dat het duidelijkst uit de spot- en plaagwoorden van jongeren: een kind kan ‘Busch!’ of ‘Moritz!’ zeggen en daarmee een ander op grond van geheime verbanden tot razernij brengen.

Wat zo van scheld-, spot-, mode- en vreemde woorden kan worden gezegd, kan ook worden gezegd van geestigheden, slagwoorden en liefdeswoorden; en wat al deze overigens zo ongelijksoortige woorden gemeen hebben, is dat zij in dienst staan van een affect en dat juist hun onnauwkeurigheid en onzakelijkheid hen bij gebruik in staat stellen hele gebieden van beter passende, zakelijker en juistere woorden te verdringen. Kennelijk bestaat er in het leven soms behoefte aan, en men moet hun hun waarde laten; maar wat in zulke gevallen gebeurt is zonder twijfel dom en bewandelt als het ware dezelfde wegen als de domheid. Dit verband kan het duidelijkst worden bestudeerd aan een hoofd- en staatsvoorbeeld van redeloosheid: de paniek.

Wanneer iets op een mens inwerkt dat te sterk voor hem is, of het nu een plotselinge schrik of een aanhoudende psychische druk is, gebeurt het dat die mens plotseling ‘iets redeloos’ doet. Hij kan beginnen te brullen, in wezen niet anders dan een kind, kan ‘blindelings’ voor een gevaar weglopen of zich even blindelings in het gevaar storten; een barstende neiging tot vernielen, schelden of jammeren kan zich van hem meester maken. Al met al zal hij in plaats van een doelmatige handeling die zijn situatie vereist een overvloed aan andere voortbrengen, die ogenschijnlijk altijd, maar al te vaak ook werkelijk doelloos en zelfs tegendoelmatig zijn. Men kent dit soort tegenspel het beste van de ‘panische schrik’; maar als het woord niet te eng wordt opgevat, kan men ook spreken van paniek van woede, hebzucht en zelfs tederheid, zoals overal waar een toestand van opwinding zich op een even levendige als blinde en zinloze wijze niet genoeg kan doen.

Dat er een paniek van de dapperheid bestaat die zich van die van de angst alleen door de omgekeerde werkingsrichting onderscheidt, is al lang geleden opgemerkt door een even geestige als dappere man.
Psychologisch wordt wat er bij het intreden van paniek gebeurt beschouwd als een uitvallen van de intelligentie, en in het algemeen van de hogere geestelijke organisatie, in wier plaats ouder psychisch raderwerk tevoorschijn komt; maar men mag er waarschijnlijk aan toevoegen dat met de verlamming en afsnoering van het verstand in zulke gevallen niet zozeer een afdaling naar instinctief handelen plaatsvindt, maar veeleer een beweging die dwars door dit gebied heen tot een instinct van de uiterste nood en een uiterste noodvorm van handelen voert. Deze handelwijze heeft de vorm van volledige verwarring; zij is planloos en schijnbaar door de rede en door elk reddend instinct verlaten; maar haar onbewuste plan bestaat erin de kwaliteit van de handelingen door hun aantal te vervangen, en haar niet geringe list berust op de waarschijnlijkheid dat zich onder honderd blinde pogingen die missers zijn ook een treffer bevindt. Een mens die het hoofd kwijt is, een insect dat zo lang tegen de gesloten helft van een raam vliegt tot het toevallig door de geopende helft naar buiten ‘tuimelt’: in hun verwarring doen zij niets anders dan wat de oorlogstechniek met berekenende overweging doet wanneer zij een doel met een vuurgordijn of verspreid vuur ‘dekt’, ja reeds wanneer zij een granaatkartets of granaat inzet.
Met andere woorden: een gerichte handeling door een omvangrijke laten vertegenwoordigen; en niets is zo menselijk als de hoedanigheid van woorden of handelingen door hun hoeveelheid te vervangen.

Nu lijkt het gebruik van onduidelijke woorden sterk op het gebruik van veel woorden, want hoe onduidelijker een woord is, des te groter is het bereik van hetgeen waarop het kan worden betrokken; en hetzelfde geldt voor onzakelijkheid.

Als die dom zijn, dan is de domheid door hen verwant aan de toestand van paniek; ook het overmatige gebruik van dit verwijt en zijns gelijken zal niet ver afstaan van een psychische reddingspoging met archaïsch-primitieve – en, zoals waarschijnlijk terecht kan worden gezegd, ziekelijke – methoden. En werkelijk valt aan het juiste gebruik van het verwijt dat iets waarachtig een domheid of een gemeenheid is, niet alleen het uitvallen van de intelligentie te herkennen, maar ook de blinde neiging tot zinloos vernietigen of vluchten. Deze woorden zijn niet slechts scheldwoorden, maar vertegenwoordigen een hele scheldaanval. Waar iets alleen nog door hen kan worden uitgedrukt, is geweld nabij. Om op eerder genoemde voorbeelden terug te komen: schilderijen worden in zulke gevallen met paraplu’s aangevallen (bovendien in plaats van degene die ze heeft geschilderd), boeken worden op de grond gesmeten alsof zij zo ontgift konden worden. Maar ook de ontmachtigende druk die eraan voorafgaat en waarvan het moet bevrijden, is aanwezig: men ‘stikt bijna’ van zijn ergernis; ‘geen woord volstaat’, behalve juist de algemeenste en armste aan betekenis; men is ‘met stomheid geslagen’, men moet zijn ‘hart luchten’. Dat is de mate van sprakeloosheid, ja gedachteloosheid, die aan het barsten voorafgaat! Zij betekent een ernstige toestand van tekortschieten, en ten slotte wordt de uitbarsting gewoonlijk ingeleid met de diep doorzichtige woorden dat iemand ‘iets eindelijk te gek is geworden’. Maar dat iets is hij zelf. In tijden waarin grote, doortastende daadkracht zeer wordt gewaardeerd, is het noodzakelijk ook te denken aan datgene wat daar soms verwarrend veel op lijkt.

*

Dames en heren! Tegenwoordig spreekt men veelvuldig van een vertrouwenscrisis van de mensheid, een crisis van het vertrouwen dat tot dusver nog in de menselijkheid werd gesteld; men zou haar ook een paniek kunnen noemen die op het punt staat in de plaats te treden van de zekerheid dat wij in staat zijn onze aangelegenheden in vrijheid en met rede te besturen. En wij mogen ons er niet over misleiden dat deze beide morele, en ook moreel-artistieke begrippen, vrijheid en rede, die als tekenen van menselijke waardigheid uit de klassieke tijd van het Duitse wereldburgerschap tot ons zijn gekomen, al sinds het midden van de negentiende eeuw of iets later niet meer helemaal gezond zijn geweest. Zij zijn geleidelijk ‘uit de koers’ geraakt, men heeft niet meer geweten wat ermee ‘aan te vangen’, en dat men ze liet verschrompelen is minder het succes van hun tegenstanders geweest dan van hun vrienden.

Wij mogen ons er dus ook niet over misleiden dat wij, of degenen na ons, waarschijnlijk niet tot deze onveranderde voorstellingen zullen terugkeren; onze taak, en de zin van de beproevingen die aan de geest zijn opgelegd, zal veeleer zijn – en dit is de zo zelden begrepen, pijnlijk-hoopvolle taak van elk tijdgeslacht – de altijd noodzakelijke, ja zeer gewenste overgang naar het nieuwe met zo weinig mogelijk verliezen te voltrekken! En des te meer daar men de overgang naar behoudend-veranderde ideeën, die op het juiste ogenblik had moeten plaatsvinden, heeft verzuimd, heeft men daarbij hulpbiedende voorstellingen nodig van wat waar, redelijk, betekenisvol, slim en dus, in omgekeerde spiegeling, ook van wat dom is. Welk begrip of deelbegrip van domheid kan echter worden gevormd wanneer dat van verstand en wijsheid wankelt? Om met een klein voorbeeld te tonen hoezeer opvattingen met de tijd veranderen, wil ik alleen vermelden dat in een vroeger zeer bekend leerboek psychiatrie de vraag:
‘Wat is gerechtigheid?’
en het antwoord daarop:
‘dat de ander gestraft wordt!’
als een geval van zwakzinnigheid werden aangevoerd, terwijl zij tegenwoordig de grondslag vormen van een veelbesproken rechtsopvatting. Ik vrees dus dat zelfs de bescheidenste uiteenzettingen niet kunnen worden afgesloten zonder ten minste te wijzen op een kern die onafhankelijk is van veranderingen in de tijd. Zo ontstaan nog enkele vragen en opmerkingen.

Ik heb niet het recht als psycholoog op te treden en wil dat ook niet, maar ten minste een vluchtige blik op deze wetenschap werpen is waarschijnlijk het eerste waarvan men in ons geval hulp zal verwachten. De oudere psychologie maakte onderscheid tussen gewaarwording, wil, gevoel en voorstellingsvermogen of intelligentie, en voor haar was het duidelijk dat domheid een geringe graad van intelligentie was. De hedendaagse psychologie heeft echter het elementaire onderscheid tussen de vermogens van de ziel van zijn betekenis beroofd, heeft de wederzijdse afhankelijkheid en doordringing van de verschillende psychische prestaties onderkend en – daarmee het antwoord op de vraag wat domheid psychologisch betekent veel minder eenvoudig gemaakt.

Er bestaat natuurlijk ook volgens de huidige opvatting een voorwaardelijke zelfstandigheid van de verstandsprestatie, maar daarbij zijn zelfs in de rustigste omstandigheden aandacht, begrip, geheugen en andere zaken, ja bijna alles wat tot het verstand behoort, waarschijnlijk ook afhankelijk van de eigenschappen van het gemoed; bovendien komt zowel in bewogen als in vergeestelijkte ervaring een tweede doordringing van intelligentie en affect, die vrijwel onontwarbaar is. En deze moeilijkheid om verstand en gevoel in het begrip intelligentie uit elkaar te houden, weerspiegelt zich natuurlijk ook in het begrip domheid; wanneer bijvoorbeeld de medische psychologie het denken van verstandelijk zwakke mensen beschrijft met woorden als arm, onnauwkeurig, niet in staat tot abstractie, onhelder, langzaam, afleidbaar, oppervlakkig, eenzijdig, star, omslachtig, overbeweeglijk, verward, valt zonder meer te herkennen dat deze eigenschappen deels op het verstand en deels op het gevoel wijzen.

Men mag dus wel zeggen: domheid en slimheid hangen zowel van het verstand als van het gevoel af; en of het ene of het andere meer weegt, of bijvoorbeeld bij zwakzinnigheid de zwakte van de intelligentie ‘op de voorgrond staat’ of bij menig hooggeacht moreel rigorist de verlamming van het gevoel, mag aan de vaklieden worden overgelaten, terwijl wij leken ons op een wat vrijere manier moeten behelpen.
In het leven verstaat men onder een dom mens gewoonlijk iemand die ‘een beetje zwak van hoofd’ is. Daarnaast bestaan echter ook de meest uiteenlopende geestelijke en psychische afwijkingen waardoor zelfs een onbeschadigd aangeboren intelligentie zo kan worden belemmerd, doorkruist en misleid dat het geheel uitloopt op iets waarvoor de taal opnieuw alleen het woord domheid ter beschikking heeft. Dit woord omvat dus twee in wezen zeer verschillende soorten: een eerlijke en eenvoudige domheid en een andere die, enigszins paradoxaal, zelfs een teken van intelligentie is. De eerste berust eerder op een zwak verstand, de laatste op een verstand dat slechts in verhouding tot iets te zwak is, en deze is verreweg de gevaarlijkste.
De eerlijke domheid begrijpt wat langzaam en heeft, zoals men zegt, een ‘lange leiding’. Zij is arm aan voorstellingen en woorden en onhandig in het gebruik ervan.
Zij geeft de voorkeur aan het gewone omdat dit zich door veelvuldige herhaling stevig bij haar inprent; en wanneer zij eenmaal iets heeft begrepen, is zij niet geneigd het zich zo snel weer te laten afnemen, het te laten analyseren of er zelf aan te peuteren. Zij heeft over het geheel genomen niet weinig van de rode wangen van het leven! Weliswaar is zij vaak onbepaald in haar denken en vallen haar gedachten bij nieuwe ervaringen gemakkelijk helemaal stil, maar daartegenover houdt zij zich ook bij voorkeur aan het zintuiglijk ervaarbare, dat zij als het ware op haar vingers kan natellen. Kortom, zij is de lieve ‘heldere domheid’, en wanneer zij soms niet ook zo lichtgelovig, onhelder en tegelijk zo onverbeterlijk was dat men er wanhopig van kan worden, zou zij een uiterst bekoorlijk verschijnsel zijn.

Ik kan het niet laten dit verschijnsel nog met enkele voorbeelden te versieren, die het ook van andere kanten tonen en die ik aan Bleulers leerboek psychiatrie heb ontleend: een zwakzinnige drukt wat wij met de formule ‘arts aan het ziekbed’ zouden afdoen uit met de woorden:
‘Een man, die houdt de andere bij de hand, die ligt in bed, dan staat daar een non.’
Het is de uitdrukkingswijze van een schilderende primitief!
Een niet geheel heldere dienstmeid beschouwt het als een slechte grap wanneer men van haar verlangt dat zij haar spaargeld aan de bank geeft, waar het rente draagt: zo dom zou niemand zijn haar nog iets te betalen omdat hij haar geld bewaart! antwoordt zij; en daarin drukt zich een ridderlijke gezindheid uit, een verhouding tot geld die men in mijn jeugd nog af en toe bij voorname oude mensen kon waarnemen!
Een derde zwakzinnige wordt ten slotte als symptoom zwaar aangerekend dat hij beweert dat een munt van twee mark minder waard is dan een munt van één mark en twee halve, want – zo luidt zijn motivering – men moet hem wisselen en dan krijgt men te weinig terug!
Ik hoop niet de enige zwakzinnige in deze zaal te zijn die van harte instemt met deze waardetheorie voor mensen die bij het wisselen niet kunnen opletten!

Maar om nogmaals terug te keren tot de verhouding met de kunst: de eenvoudige domheid is werkelijk vaak een kunstenares. In plaats van op een prikkelwoord met een ander woord te antwoorden, zoals vroeger bij sommige experimenten zeer gebruikelijk was, geeft zij meteen hele zinnen ten antwoord; en wat men ook zegt, deze zinnen hebben iets van poëzie in zich! Ik herhaal enkele van zulke antwoorden, waarbij ik eerst het prikkelwoord noem:

‘Aansteken: De bakker steekt het hout aan.
Winter: Bestaat uit sneeuw.
Vader: Die heeft me eens van de trap gegooid.
Bruiloft: Dient ter vermaak.
Tuin: In de tuin is het altijd mooi weer.
Godsdienst: Als men naar de kerk gaat.
Wie was Wilhelm Tell: Men heeft hem in het bos opgevoerd; er waren verklede vrouwen en kinderen bij.
Wie was Petrus: Hij heeft driemaal gekraaid.’

De naïviteit en grote lichamelijkheid van zulke antwoorden, het vervangen van hogere voorstellingen door het vertellen van een eenvoudig verhaal, het gewichtig vertellen van overbodige dingen, van omstandigheden en bijzaken, en dan weer de verkortende verdichting zoals in het Petrusvoorbeeld: dat zijn oeroude praktijken van de dichtkunst. En hoewel ik geloof dat een teveel ervan, zoals tegenwoordig volop in zwang is, de dichter dichter bij de idioot brengt, valt ook het dichterlijke in deze laatste niet te ontkennen; en het werpt licht op het feit dat de idioot in de literatuur met een eigenaardig genoegen in zijn geest kan worden uitgebeeld.

Tegenover deze eerlijke domheid staat nu de veeleisende hogere in een werkelijk maar al te vaak schril contrast. Zij is niet zozeer een gebrek aan intelligentie als wel het falen daarvan doordat zij zich prestaties aanmatigt die haar niet toekomen; en zij kan alle slechte eigenschappen van het zwakke verstand bezitten, maar daarnaast ook alle eigenschappen die veroorzaakt worden door een uit evenwicht geraakt, vergroeid, ongelijk beweeglijk, kortom elk van gezondheid afwijkend gemoed.
Omdat er geen ‘genormeerde’ gemoederen bestaan, komt in deze afwijking, nauwkeuriger gezegd, een onvoldoende samenspel tot uitdrukking tussen de eenzijdigheden van het gevoel en een verstand dat niet volstaat om die te beteugelen. Deze hogere domheid is de eigenlijke vormingsziekte (maar om een misverstand tegen te gaan: zij betekent ongevormdheid, misvorming, verkeerd tot stand gekomen vorming, wanverhouding tussen stof en vormingskracht), en haar te beschrijven is een bijna eindeloze opgave. Zij reikt tot in de hoogste geestelijkheid; want als de echte domheid een stille kunstenares is, dan is de intelligente domheid datgene wat meewerkt aan de bewogenheid van het geestesleven, maar vooral aan zijn onbestendigheid en resultaatloosheid. Al jaren geleden schreef ik over haar: ‘Er bestaat eenvoudigweg geen betekenisvolle gedachte die de domheid niet zou weten toe te passen; zij is naar alle kanten beweeglijk en kan alle kleren van de waarheid aantrekken. De waarheid daarentegen heeft telkens maar één kledingstuk en één weg en is altijd in het nadeel.’

De domheid waarover hier wordt gesproken is geen geestesziekte, en toch is zij de levensgevaarlijkste, de voor het leven zelf gevaarlijke ziekte van de geest.
Wij zouden haar beslist allemaal al in onszelf moeten opsporen en niet pas aan haar grote historische uitbarstingen herkennen.

Maar waaraan haar herkennen? En welk onmiskenbaar brandmerk haar opdrukken?! De psychiatrie gebruikt tegenwoordig als voornaamste kenmerk voor de gevallen die haar aangaan het onvermogen zich in het leven te redden, het falen voor alle taken die het stelt, of plotseling voor één taak waarbij men dat niet zou verwachten. Ook in de experimentele psychologie, die zich voornamelijk met gezonden bezighoudt, wordt domheid op soortgelijke wijze gedefinieerd. ‘Dom noemen wij een gedrag dat een prestatie waarvoor alle voorwaarden behalve de persoonlijke aanwezig zijn niet volbrengt’, schrijft een bekende vertegenwoordiger van een van de nieuwste scholen van deze wetenschap. Dit kenmerk van het vermogen tot zakelijk gedrag, dus van bekwaamheid, laat voor de ondubbelzinnige ‘gevallen’ van de kliniek of het apenproefstation niets te wensen over; maar de vrij rondlopende ‘gevallen’ maken enkele aanvullingen nodig, omdat het juiste of onjuiste ‘volbrengen van de prestatie’ bij hen niet altijd zo duidelijk is.

Ten eerste ligt in het vermogen zich altijd zo te gedragen als een levensbekwaam mens onder gegeven omstandigheden doet reeds de hele hogere dubbelzinnigheid van slimheid en domheid besloten; want het ‘zaakkundige’, ‘deskundige’ gedrag kan de zaak voor persoonlijk voordeel gebruiken of haar dienen, en wie het ene doet pleegt degene die het andere doet voor dom te houden. (Maar medisch dom is eigenlijk alleen wie noch het ene, noch het andere kan.)
En ten tweede valt ook niet te ontkennen dat onzakelijk, ja zelfs ondoelmatig gedrag vaak noodzakelijk kan zijn; want objectiviteit en onpersoonlijkheid, subjectiviteit en onzakelijkheid zijn aan elkaar verwant, en zo belachelijk de onbekommerde subjectiviteit is, zo onmogelijk voor het leven, ja voor het denken is natuurlijk een volkomen objectief gedrag. Beide in evenwicht brengen is zelfs een van de voornaamste moeilijkheden van onze cultuur.

En ten slotte zou nog tegen te werpen zijn dat zich af en toe niemand zo slim gedraagt als nodig zou zijn, dat ieder van ons dus, zo niet altijd, dan toch van tijd tot tijd dom is. Daarom moet ook onderscheid worden gemaakt tussen falen en onvermogen, tussen toevallige of functionele en blijvende of constitutionele domheid, tussen vergissing en onverstand. Dat behoort tot het belangrijkste, omdat de levensomstandigheden tegenwoordig zo onoverzichtelijk, zo moeilijk en zo verward zijn dat uit de toevallige domheden van afzonderlijke mensen gemakkelijk een constitutionele domheid van het geheel kan ontstaan.

Zo voert de waarneming uiteindelijk ook buiten het bereik van persoonlijke eigenschappen naar de voorstelling van een samenleving die met geestelijke gebreken behept is. Wat psychologisch werkelijk in het individu plaatsvindt kan men weliswaar niet op samenlevingen overdragen, dus ook geestesziekten en domheid niet; maar tegenwoordig zou men wellicht vaak van een ‘sociale imitatie van geestelijke defecten’ mogen spreken. De voorbeelden daarvan zijn vrij opdringerig.

*

Met deze aanvullingen is het gebied van de psychologische verklaring natuurlijk opnieuw overschreden. Zij leert ons zelf dat slim denken bepaalde eigenschappen heeft, zoals helderheid, nauwkeurigheid, rijkdom, oplosbaarheid ondanks vastheid en vele andere die opgesomd zouden kunnen worden; en dat deze eigenschappen deels aangeboren zijn, deels naast de kennis die men verwerft ook als een soort denkvaardigheid worden aangeleerd; een goed verstand en een knap hoofd betekenen immers zo ongeveer hetzelfde. Hierbij hoeft niets te worden overwonnen behalve traagheid en aanleg, dat kan ook worden getraind, en het komische woord ‘denksport’ drukt niet eens zo slecht uit waar het om gaat.

De ‘intelligente’ domheid heeft daarentegen niet zozeer het verstand als wel de geest tot tegenstander, en, als men daaronder niet slechts een hoopje gevoelens wil verstaan, ook het gemoed. Omdat gedachten en gevoelens zich samen bewegen, maar ook omdat in beide dezelfde mens zich uitdrukt, kunnen begrippen als engte, ruimte, beweeglijkheid, eenvoud en trouw zowel op het denken als op het voelen worden toegepast; en al is het verband dat daaruit ontstaat zelf nog niet geheel duidelijk, het volstaat toch om te kunnen zeggen dat ook verstand tot het gemoed behoort en dat onze gevoelens niet losstaan van slimheid en domheid.

Tegen deze domheid moet men met voorbeeld en kritiek optreden.
De hiermee verkondigde opvatting wijkt af van de gangbare mening, die volstrekt niet onjuist maar wel uiterst eenzijdig is en volgens welke een diep, echt gemoed het verstand niet nodig zou hebben en er zelfs alleen maar door verontreinigd zou worden.

De waarheid is dat bij eenvoudige mensen bepaalde waardevolle eigenschappen als trouw, standvastigheid, zuiverheid van gevoel en dergelijke onvermengd naar voren komen, maar dat eigenlijk alleen doen omdat de concurrentie van de andere zwak is; en een grensgeval daarvan hebben wij eerder gezien in het beeld van de vriendelijk instemmende zwakzinnigheid. Niets ligt mij verder dan met deze uiteenzettingen het goede, rechtschapen gemoed te willen verlagen – het ontbreken ervan heeft zelfs een behoorlijk aandeel in de hogere domheid! –, maar tegenwoordig is het nog belangrijker het begrip van het betekenisvolle daarboven te stellen, wat ik uiteraard alleen nog geheel utopisch vermeld.

Het betekenisvolle verenigt de waarheid die wij erin kunnen waarnemen met de eigenschappen van het gevoel die ons vertrouwen genieten tot iets nieuws, tot een inzicht, maar ook tot een besluit, tot een verfrist volhouden, tot iets wat geestelijke en psychische inhoud heeft en van ons of anderen een gedrag ‘vergt’; zo zou men het kunnen zeggen. En wat in verband met de domheid het belangrijkste is: het betekenisvolle is zowel aan de kant van het verstand als aan die van het gevoel toegankelijk voor kritiek. Het betekenisvolle is ook de gemeenschappelijke tegenstelling van domheid en ruwheid, en de algemene wanverhouding waarin de affecten tegenwoordig de rede verpletteren in plaats van haar vleugels te geven, smelt samen in het begrip betekenis. Genoeg daarover, misschien zelfs al meer dan verantwoord zou kunnen worden! Want als er nog iets zou moeten worden toegevoegd, dan alleen dit: met alles wat gezegd is, is nog volstrekt geen zeker herkennings- en onderscheidingsteken van het betekenisvolle gegeven, en het zou waarschijnlijk ook niet gemakkelijk zijn een volkomen toereikend teken te geven.

Maar juist dat voert ons naar het laatste en belangrijkste middel tegen de domheid: de bescheidenheid.

Af en toe zijn wij allemaal dom; af en toe moeten wij ook blind of halfblind handelen, anders zou de wereld stilstaan; en als iemand uit de gevaren van de domheid de regel wilde afleiden: ‘Onthoud u bij alles van oordeel en besluit waar u niet genoeg van begrijpt!’, dan zouden wij verstarren! Maar deze situatie, waarover tegenwoordig nogal wat ophef wordt gemaakt, lijkt op een situatie die ons op het gebied van het verstand allang vertrouwd is. Want omdat ons weten en kunnen onvolmaakt is, moeten wij in alle wetenschappen in wezen voorbarig oordelen; maar wij spannen ons in en hebben geleerd deze fout binnen bekende grenzen te houden en haar zo nodig te verbeteren, waardoor er toch weer juistheid in ons handelen komt.

Niets pleit er eigenlijk tegen dit nauwkeurige en trots-deemoedige oordelen en handelen ook op andere gebieden toe te passen; en ik geloof dat het voornemen ‘Handel zo goed als je kunt en zo slecht als je moet, en blijf je daarbij bewust van de foutgrenzen van je handelen!’ al de halve weg naar een hoopvolle vormgeving van het leven zou zijn.

Maar met deze aanduidingen ben ik al een tijdje aan het einde van mijn uiteenzettingen, die, zoals ik ter bescherming vooraf heb gesteld, slechts een voorstudie moesten betekenen. En met mijn voet op de grens verklaar ik mij niet in staat verder te gaan; want één stap voorbij het punt waar wij halt houden, en wij zouden uit het domein van de domheid, dat zelfs theoretisch nog afwisselend is, in het rijk van de wijsheid komen, een dor en doorgaans gemeden gebied.

Voordracht op uitnodiging van de Oostenrijkse Werkbund, gehouden te Wenen op 11 maart en herhaald op 17 maart 1937.

Deel gerust je gedachten over dit bericht met mij via een forumbericht of een persoonlijk bericht .

←ZaterdagochtendOver tienen en schildknapen→
×